het dooit

 

de sneeuw knerpt nog wel
onder je schoenen,
maar vaal wordt hij
grauw als de lucht.

 

 

en de mens, hij kapt maar voort

weer een oude boom-en varenrand
naar de gallemieze

maar de twee oeroude eiken
staan er nog

met mijn rug tegen zo'n eik gezeten
en afgewend van de weggehaalde schoonheid
is het landschap onveranderd prachtig

 

 

 

zo klaar is je blik
zo open
zo zonder enkel oordeel meer

en al weet ik
je gaat binnenkort
en voorgoed
zeg je en je lacht met een oog:
wie weet tot ziens

 

 

ik zag gisteren je broer;

de man met het verweerde gezicht

de blauwogige!

de blondharige!

zitten onder de wilhelminabrug

 

 

 


nooit hoor je gerucht
of zie je beweging
als je langs het bejaardenhuis gaat,

maar op een zomerse dag
-de ramen staan open,
klinkt er opeens babygehuil.

 

 

geen treinen

er rijden vandaag
geen treinen door de stad.
het ijzer-op-ijzergebonk
gaat niet door je gedachten
en ook niet langs de rand ervan.

het is vandaag
een geluid van niets.
van verwachting
van zoeken waar of het is.

je hoort
de merel
en kinderen
'n brommer
niets

 

 

 

 

op een boerderij

hier geboren en altijd gebleven
ouders vijftien jaar geleden op deze plek gestorven
toen getrouwd
twee zoons gekregen,

deze bemoeien zich niet
met hun oude, stervende en hallucinerende vader,
die de hele nacht
de gordijnen wijd open wil hebben
aan het vechten is met pinguïns
naar huis wil

 

 

 

zij ligt als een kroonjuweel
als een strijdappel
tussen haar twee beste mannen

af en toe glijdt er een glimlach over haar gelaat

maar haar mond blijft tot het einde toe
hermetisch gesloten

 

 

 

na afloop van de markt
zag ik twee kersen liggen
op de plaats van een verdwenen kei:
fonkelend als juwelen in de zon

 

 

 

 

In de man
die sterven gaat
klapwiekt de geest

op

op

op

 

 

 

De lucht is een drama.
In het westen een roestig oranje
boven ons hoofd het blauw
en het grijs.
Tussen haar en mij
ligt een braakland.

Zij zegt over haar
jappenkamptijd
-ze was acht, ze was negen,
ze werd tien daarna elf -
Ik was vooral
bang
bang
bang.

 

 

Ik zwom 's avonds in zee
met de zon
met de maan.
Het strand was verlaten,
verlaten?
wat was niet allemaal daar !
het zand en het zachte
het licht en de wolken,
geen wind nee
geen mensen
maar verder?

De lucht die daar hing was
doorzichtig toch melk
en zo zilt en zo zilverachtig.
In de verte waren
de wolken wat roze
de zon ging daar onder..

Ik stapte in blauw,
in wit blauw paars
licht roze
zacht water,dat
rustig aan kwam rollen,
me zacht omduwde
mee met me speelde
of nee, ik met haar.

De maan scheen wit zilver
vlak boven de duinrand
en niemand, geen mens nee,
behalve ikzelf die mij zag lopen,
zag lopen terug naar mijn kleren
mij toch schielijk weer aan zag kleden
en naar boven zag gaan.

 

 

 

Beginnende duinen op Ameland

Met zuidenwind
en lage zon
is het zo stil
zo bovenmenselijk rustig

De zee ver weg
is een azuren streep
gouden helm
maakt nauwelijks geluid.

Vogels roepen elkaar

't is eind oktober